Uit Raar · Ivo Teulings
De Sportschool

Er bestaat geen abjecter beroep dan dat van marketeer. Het moet onder andere de makelaar, kinderlokker, paardenslager en zelfs de assistent hoerenloper boven zich dulden in de rangorde der edele broodwinning. Het is een professie die nul komma nul toegevoegde waarde levert aan de maatschappij. Toch besteden duizenden marketeers hun tijd in godvergeten industrieparken met het verzinnen van manieren om mensen spullen te verkopen, die ze niet nodig hebben en geen enkele bijdrage bieden aan hun levensgeluk. Als je iets maar een goede naam geeft en er een verhaal omheen verzint krijg je alles aan de man, al is het stront. Zeg erbij dat het bijna uitverkocht is en mensen buitelen over elkaar heen om het kleinood aan te schaffen.
Een goed voorbeeld is dat van waterboarding. Dit is sinds een aantal jaren verboden bij de militaire organisaties van westerse landen. En terecht. Deze gecontroleerde vorm van verdrinking is een extreem wrede martelmethode, waarbij beulen water over een doek gieten die het gezicht en de luchtwegen van een vastgebonden gevangene bedekt. Deze krijgt hierdoor het gevoel te verdrinken.
In de civiele wereld wordt waterboarding echter nog volop toegepast, en wel op een wijze die geheel legaal is. Sterker nog, de slachtoffers staan ervoor in de rij en betalen er grif voor. Men heeft er een aantal simpele elementen aan toegevoegd om de kern van het gebeuren – regelrechte marteling – te verbloemen, vervolgens in een hippe context geplaatst en noemt het nu “spinning”. Dankzij de inspanningen van een aantal marketeers, die er gillend rijk mee zijn geworden, ben ikzelf er ook ingetrapt. En toen ik erachter kwam waarin ik was terechtgekomen was het te laat. Want als je in het midden van de spinningzaal op een onschuldig ogend statisch fietsje hebt plaatsgenomen ga je niet als enige halverwege de les aftaaien als je erachter bent gekomen dat je genaaid bent. Je voelt de ogen van de andere slachtoffers al op je gericht en weet dat je voor de rest van je leven mikpunt van spot zult zijn als je nu afstijgt.
Dus ik ploeterde voort, al had ik na twee minuten al door dat de kans dat ik dit zou gaan overleven niet bijster groot was. De kekke instructrice met haar in spandex gehesen hardbody metamorfoseerde in een krijsend sekreet die onmogelijke (en in veel beschaafde landen ook streng verboden) dingen van mijn lichaam verwachtte. Ze bediende een geluidsinstallatie die zo´n loeiharde hemeltergende muziek voortbracht, dat de wil om te leven mij met rasse schreden verliet. Maar het ergste nog was de klok die aan de muur hing. Ik wist dat de les een uur duurde, en dat de marteling dus om zeven uur voorbij zou zijn. De klok bleef echter op twee minuten over zes hangen, waardoor het besef dat ik nu echt in het vagevuur terecht was gekomen mijn wanhoop nog verder voedde, dit alles versterkt door de zware zweetlucht die mij op de longen sloeg.
Ik heb het ternauwernood overleefd, en zweer dat ik nooit meer in een val van de perfide marketing-sekte zal trappen. Maar het fenomeen sportschool heeft, tegen wil en dank, toch een plaats in mijn bestaan weten te krijgen. Omdat ik als schrijver hele dagen thuis werk, moet ik er zo nu en dan eens uit, om de dag te breken en iets te doen om het verval van mijn anatomie in toom te houden. Daarom ga ik meestal zo rond een uur of twee naar een fitnesscentrum. Een prima tijdstip, waarop de meeste mensen noeste arbeid verrichten in een of andere kantoortuin, en de sportschool een baken van rust is. Ik doe routinematig een serie oefeningen om mijn torso een beetje in model te krijgen, ga daarna een kwartier naar de sauna en daarna weer hup naar huis om op mijn toetsenbord te hameren. Ondertussen bemoei ik me met niemand en lees tussen de sets door een boek. Steeds twee pagina´s – zo lees ik in die zweetfabriek twee boeken per maand.
Toen ik nog in Amsterdam woonde ging ik dagelijks naar Club Sportive, een sportschool bij mij in de straat. Een prijzig en enigszins elitair toevluchtsoord voor rijke huisvrouwen en de beter gesitueerde homoseksueel. Totdat de club werd overgenomen door Basic Fit, de oranje prijsvechter. Van de ene dag op de andere zat het er stampvol en kreeg ik het gevoel op de luchtplaats van een gevangenis te zijn beland. De muren, voorheen maagdelijk wit gesaust, waren nu oranje geschilderd en hingen vol met glimmende spiegels. Ineens schalde er uit de luidsprekers keiharde reggaetón, de antimuziek die het einde van de beschaving inluidt, maar zelfs dat kon het gejoel en gekrijs van de nieuwe clientèle niet overstemmen. Ik weet niet uit welke holen ze waren gekropen, maar het verbaasde me oprecht dat deze misbaksels überhaupt bestonden, laat staan dat ze kennelijk ergens in de buurt woonden. Kijk, ik leef niet onder een steen en weet best dat ik met mijn tattoo-loze lichaam inmiddels tot een minderheid behoor. Maar als je dan toch je gehele gezicht onder laat tatoeëren, wat weerhoud je er dan van om even te sparen totdat je een inktkunstenaar kunt betalen die zijn vak verstaat, in plaats van de eerste de beste doorgesnoven betonvlechter in je gelaat te laten krassen?
Het gros van nieuwe aanwas was dermate mismaakt, dat het een raadsel was dat het zich overdags naar buiten durfde te begeven. Sterker, het weerhield ze er niet van om zich voort te planten, iets waar zelfs tussen de halters schaamteloos een voorschot op werd genomen met luidkeels gebalts en kwistig gesproei met endorfine, teneinde territorium af te bakenen rondom een teefje waarbij zij een eisprong hadden vastgesteld.
Het was een komen en gaan van duister gespuis in glimmende trainingspakken, soms arriverend met de broek strak gespannen om de enkelband, allerhande inbrekerswerktuigen nonchalant uit de zakken stekend. Om de haverklap braken er vechtpartijen uit, die door het schaarse personeel stoïcijns werden genegeerd. Waarschijnlijk stond dit in hun managementhandboek – of moet ik zeggen rules of engagement – want als er iemand mocht sneuvelen in dit testosteronwalhalla, was dit vanuit de optiek van Basic Fit pure winst, want de leden betaalden hun contributie immers een jaar vooruit en maakten zo gemakkelijk plaats voor een volgende delinquent die aan de poort stond te bonzen.
Enfin, het plaatje lijkt mij zo wel duidelijk.
Ik had zojuist een set afgerond op een apparaat dat dynamic chest converter heette, en opende het boek dat ik aan het lezen was, toen ik een schaduw over mij heen voelde komen, een zurige zweetlucht ontwaarde en vlak bij een stem hoorde.
‘Jij daar. Je kunt ook te ver gaan.’
Ik keek op en zag een kale vent met een flink aantal gouden kettingen om zijn stierennek voor mij staan. Ik keek even om mij heen om me ervan te verzekeren of het mijn persoon was die hij aansprak.
‘Je kunt ook te ver gaan.’
‘Huh?’
Omdat ik dacht dat hij aanspraak wilde maken op een beurt op het apparaat, en ik voornemens was om nog twee sets te voltooien om mijn borstkas dynamisch te converteren, drukte ik mijn lichaam impulsief stevig tegen de neplederen rugleuning aan.
‘Jij trekt gekke bekken en kijkt naar mij. Daar hou ik niet van. Waarom trek jij gekke bekken? En waarom kijk jij naar mij? DAAR . HOU . IK . NIET . FANN. IK HOU DAAR HELEMAAL NIET FANN.’
Ik keek het beest sprakeloos aan. Zijn hoofd was inmiddels vuurrood aangelopen en had iets weg van een in chilisaus gedoopte aardappel. Ik had geen zin om pugilistiek te beoefenen, maar was ook niet van plan om mij door een lagere diersoort weg te laten jagen.
Ik wees op mijn opengeslagen boek.
‘Ik weet niet waar je het over hebt, goede man. Ik lees een boek. Boek. Met letters en zo. En woorden. Ik had jou nog niet eens opgemerkt. Nou, nu dit misverstand uit de wereld is gewerkt kun je weer terug naar je vandaan kwam. Vort.’
Ik hervatte het lezen van mijn boek, maar het ondier nam duidelijk geen genoegen met mijn beknopte verklaring en zette een stap naar voren.
‘HAAAII! IK HOU DAAR DUS NIET FANN! WAT GA JIJ DAAR DAN AAN DOEN! HAAII PANNENKOEK, ZEG DAN WAT!’
Ik legde het boek op mijn schoot en begon aan een nieuwe set. Ik hoopte dat het gedrocht zou aftaaien. Niet omdat ik bang voor hem was, maar omdat ik werkelijk geen idee had wat ik kon zeggen of doen om hem tevreden te stellen. Mijn houding leek hem in verwarring te brengen. Het had er alle schijn van dat een kortsluiting in zijn bolle kop hem een stap naar achteren deed zetten, waarbij hij tegen een man aanbotste die zo enorm gespierd was, dat er geen andere verklaring voor was dan dat zijn ouders hem reeds op de kleuterschool anabole steroïden hadden toegediend. Deze reageerde door mijn kersverse vriend aan zijn gouden kettingen omhoog te trekken en hem met de vlakke hand een muilpeer van jewelste te geven. Onmiddellijk kwam er een joelende menigte omheen staan, waardoor de rest van het gebeuren aan mijn zicht werd onttrokken.
Omdat dit mij hinderde bij het lezen van mijn boek, stond ik op en zocht in een verre uithoek van de sportschool een onbemand apparaat op. De legg press, waarbij het de bedoeling is vanuit een uitgangspositie, waarbij je knieën tot achter je oren gevouwen zijn, te proberen om de benen te strekken. Of je nu Tourette hebt of niet, ik moet de persoon nog ontmoeten die dit zonder grimassen klaarspeelt.
Halverwege de tweede set kwam een beer van een kerel met een proteïneshake in de hand voor me staan. Uit zijn wilde gebaren maakte ik op dat hij een gesprek met mij wilde voeren. Ik wilde hem rustig te woord staan, maar probeer dat maar eens met je scheenbenen tegen je kin geklemd.
‘Kan jij soms zelf geen wijf regelen? Mijn vriendin daar zegt dat jij naar haar aan het knipogen bent.’
‘Kom op dan, geef haar nog eens een knipoog, dan zul je zien wat er gebeurt!’
‘Je durft niet huh?’
‘Als ik alles zou doen wat ik durf, dan zou de wereld er fundamenteel anders uitzien’, dacht ik bij mezelf. Maar dat sprak ik niet hardop uit. Ik pakte mijn boek op en verliet de sportschool, om deze nooit meer opnieuw te betreden.