Bestel
← Alle fragmenten

Uit Raar · Ivo Teulings

Our man in Havana

Een man in een wit pak op een balkon in Havana, met een palm en een gele zon.

Als toetsenbordridder zul je niet snel worden nagewezen als je op straat loopt, zoals dat een bekende strafpleiter, soapactrice of veroordeelde pedoseksueel ten deel valt. En dat is maar goed ook. Ik hou ervan om in de luwte te opereren en heb geen behoefte aan publieke bewondering. Dat heeft niets met Tourette te maken, maar als ik erover nadenk is het wel een veilig beroep. Niemand kan aan een tekst aflezen wat voor een gekkigheid zich heeft afgespeeld tijdens de compositie ervan. Wat dat betreft zijn wel er een aantal beroepen op te noemen waar je je als Tourettelijer beter niet aan kunt wagen. Als Minister-President sta je in het centrum van de belangstelling, iedereen vindt iets van jou, en meestal is dat niet louter positief. Als je dan ook nog allerhande tics hebt, word je automatisch het mikpunt van spot. Dus dat kun je beter uit je hoofd laten. Daar moet je niet over zeuren, dat is nu eenmaal zo. En het is verreweg het grootste deel van de bevolking niet gegeven om Minister-President te worden, dus kom bij mij niet aan met gezeur over discriminatie. Klein gebrek geen bezwaar, maar als je beide onderbenen mist ga je ook niet lopen zeiken dat je niet bent geselecteerd voor het Olympische schaatsteam. Dan ga je bobsleeën of zo.

Hetzelfde geldt in principe voor een betrekking als talkshowhost. Je kunt gewoon niet aan tafel zitten praten over allerhande gewichtige onderwerpen terwijl jij met je hoofd aan het schudden bent of boerderijdieren nabootst. Dat doe je maar in je eigen tijd. De mensen thuis hebben daar helemaal geen behoefte aan.

Overigens is het wel grappig hoe zoiets werkt. De onwetende buitenstaander is geneigd om te denken dat het optreden van tics te maken heeft met het opspelen van de zenuwen. Dat is dus niet zo. Tenminste bij mij is dat niet het geval. Het kan erger worden in tijden van stress. Maar ik kan ook volkomen zen op het strand zitten, terwijl de tics mijn lichaam gebruiken als een pretpark. Het wordt ook erger bij verveling. Stilte. Wachten. Vergaderingen zonder einde. Het soort momenten waarin het brein denkt: nou, dan doen we dit maar. Maar bij zoiets als bij een eerste date zijn ze afwezig, omdat de spanning ze wegdrukt. Ik ben een aantal keer op live televisie geweest zonder er ook maar enige last van te hebben. Want ergens hou je er rekening mee dat er op dat moment een paar honderdduizend ogen op jou gericht zijn. Op het moment dat het routine wordt, zoals de tachtigste keer dat je een talkshow presenteert, beginnen de tics zich te roeren. Dus mij zul je niet snel op de buis te zien krijgen.

Dat de buitenstaander die tics wel kan opvatten als een teken van zenuwachtigheid, leidt soms tot vervelende misverstanden. En dat kan verdomd verkeerd uitpakken. In sommige gevallen heeft dat een cumulatief effect. Als mensen laten blijken dat ze zien dat je wat te verbergen hebt, dan word je ook zenuwachtig. Met alle gevolgen van dien.

Zo was ik ooit spion in Cuba. Kortstondig, en tegen wil en dank, maar toch. Het begon ermee toen ik in Havana ging wonen, omdat ik dacht dat ik daar kon helpen om westerse bedrijven die in het land wilden investeren door de Cubaanse bureaucratie te loodsen. Ik ging daar redelijk onvoorbereid naar toe, maar had het geluk al snel de juiste vrienden te maken waardoor ik in de Cubaanse elite werd opgenomen. Ik ontmoette Fidel Castro en woonde in een gigantisch appartement van een vriend. Zijn vader was minister, zijn zwager chef van de geheime dienst, diens vader minister van Binnenlandse Zaken. En mijn buurman was de beruchte dubbelspion Philip Agee. Kortom, ik was connected.

Het grappige was dat ik geen cent te makken had en eigenlijk ook niet zoveel om handen had. Ik mocht dan wel de juiste contacten hebben, niemand durfde het aan om een investering te doen in een eng tropisch communistisch eiland, op advies van een 26-jarige Nederlander “die toevallig Fidel Castro kende”. Maar ik had er de tijd van mijn leven. Iedere avond ging ik uit naar de juiste clubs, gekleed in elegante linnen pakken en met de mooiste vrouwen aan mijn arm. Ik ging om met zowel hoge regeringsfunctionarissen als kopstukken van de georganiseerde misdaad. En zo leidde ik een James Bond-achtig bestaan in een sprookjesachtig Havana.

Grote investeringen begeleiden zat er dan niet in, maar ik verdiende mijn brood door zo nu en dan iemand te helpen om een container met goedkope rotzooi te verkopen aan een of ander staatsbedrijf. Daar kreeg ik dan een paar duizend dollar commissie voor, waardoor ik weer rustig een paar weken verder kon.

Mijn leven als playboy had echter ook een keerzijde. Ik maakte schaamteloos gebruik van het mysterie dat zich om mijn persoon heen heenvouwde. Ik was onmiskenbaar iemand, maar niemand wist wie precies. Iedereen dacht dat ik belangrijk was en men wilde met mij gezien worden. Om niet alles te verliezen moest ik het spel wel blijven meespelen.