Uit Raar · Ivo Teulings
Ik groet u

Het monster dat mij op straat tegemoet komt lopen heeft het formaat van een professionele afzuiginstallatie. Een zwartleren vest met de insignes van een of andere motorclub bolt over zijn pens, waar een uit de kluiten gewassen dwerg zich met gemak in zou kunnen verstoppen. Zijn met runentekens volgetatoeëerde kop, die zonder een zichtbare nek op de romp bevestigd lijkt te zijn, doet dienst als een uitdragerij van piercings.
Voordat hij mij passeert knikt hij me plechtig toe en zegt me gedag.
Dit overkomt mij dus dagelijks.
De werkelijkheid gebiedt erbij te vermelden dat de ork mij niet spontaan gedag zei, maar mij teruggroette. Althans, dat dacht het misbaksel zelf kennelijk.
En hij is niet de enige. Ik heb het zelf nauwelijks door, maar de tics die vanaf rond mijn twaalfde levensjaar onderdeel van mijn leven gingen uitmaken kunnen de buitenwereld onmogelijk ontgaan. Het knikken met het hoofd – ja, alsof ik iemand groet – is waarschijnlijk de meest in het oog lopende. Maar zelf heb ik het almaar niet door. Het is als een ingegroeide haar achter op je nek. Je weet dat het er zit, maar je bent er niet de hele dag mee bezig. Je hebt wel betere dingen te doen.
Ik word op straat aan de lopende band door Jan en alleman begroet. En het vreemde is dat ik er na al die jaren – decennia - nog steeds niet aan gewend ben. Als running gag denk ik steeds weer: waar ken ik die in godsnaam van?
Waarna ik deze persoon opnieuw omstandig groet, wat de zaak nog ongemakkelijker maakt, in het bijzonder omdat ik op het moment van het terug-terug-groeten steevast weer besef dat het door die stomme tic komt.
Maar ach, zo ontmoet je nog eens iemand.
Lang geleden frequenteerde ik Café Lexington op de Amsterdamse Willemsparkweg, een pleisterplaats van reclamejongens, beursbengels, makelaars en andere zware criminelen. Bij binnenkomst werd ik regelmatig omstandig begroet door Cor van Hout, gewezen Heinekenontvoerder en inmiddels morsdood nadat hij, naar het schijnt op last van zijn voormalige boezemvriend Willem Holleeder, met kogels werd doorzeefd. Dat veroorzaakte in eerste instantie enige gêne bij mijzelf, maar toen bleek dat wildvreemden mij ineens met opvallend veel respect behandelden, begon ik de lol ervan in te zien. En mocht iemand mij in het oor fluisteren en om een opheldering vragen, gebaarde ik dat dit niet het moment was, en ik het later zou uitleggen.
En dan is dit nog maar één tic. Het leuke van Tourette is dat je steeds wordt gevisiteerd door meerdere tics, die een tijdje blijven, om daarna in stilte te sluimeren en later (en je zult zien dat dit steevast op het meest ongelegen moment komt) weer de kop op te steken. De ene keer is dit een onschuldige rilling of een schattig geluidje. Soms echter is het een serieuzer geval, dat me in het dagelijks leven in gevaar kan brengen. Zoals bijvoorbeeld het trillen van de lippen, dat door een ander gemakkelijk als een toegeworpen kus wordt aangezien.
Dat zoiets kan worden opgevat als een uitnodiging tot geslachtsgemeenschap, brengt mij regelmatig in onmogelijke posities. Waar dit soms leidt tot een spontane vrijpartij (waarbij ik me telkens weer afvraag hoe dit me in hemelsnaam weer is overkomen, totdat het kwartje weer valt – ja die tic), zijn er ook tal van gelegenheden waar mensen (m/v/x) zich aangesproken voelen, terwijl zij in het geheel niet gediend zijn van een vleselijk samenzijn met mijn persoon. Ik heb er tot op heden nog nimmer een blauw oog aan overgehouden, maar vaak scheelde het niet veel.
Tourette is een druk aapje dat op je rug zit en vooral anderen opvalt. Je bent er godzijdank niet continu mee bezig. Je zou er anders een dagtaak aan hebben. Je wordt aan het aapje herinnerd door de reacties van anderen. Ontzetting, verbazing, plezier en soms dus die misverstanden. Dat je iets van ze wilt, terwijl jij lekker je eigen gang gaat, al knikkend en trillend en blazend en wel.
En dat went nooit.